Adriaan van Utrecht (1459-1523) en de hervorming van Kerk en theologie



Gerard Morinck vertelt in zijn biografie van Adriaan van Utrecht, als paus bekend onder de naam Hadrianus VI, een interessante anekdote, die ons de hoofdpersoon van het boek laat kennen als een adept van het typisch laatmiddeleeuwse streven naar morele hervorming van de geestelijkheid (1). Toen Adriaan deken van Leuven was geworden, wilde hij bewerken dat de kanunniken van zijn kapittel de celibaatswet naleefden en hun concubines wegzonden. Dit leidde tot een moordaanslag op Adriaan. Tijdens een maaltijd ten huize van een kanunnik poogde diens concubine Adriaan om te brengen door hem een met 'arsenicum' vergiftigde kool voor te zetten. Adriaan kon echter gered worden door een medicijn dat hem toegediend werd door een andere kanunnik van Sint-Pieter, de arts Johannes Spierinck, die professor in de geneeskunde was geweest en een grote naam had als botanicus en 'astroloog'. Hoewel Adriaans gezondheid nog lange tijd leed onder de gevolgen van de moordpoging, kreeg Spierinck in Leuven veel lof toegezwaaid omdat hij erin geslaagd was het leven van de toekomstige paus te redden. In de tijd dat Adriaan nog slechts kardinaal was, stelde een van diens leerlingen, de controverstheoloog Jacobus Latomus, dat Spierinck zeker zoals Aesculapius en Hermes Trismegistos onder de goden zou opgenomen zijn, wanneer hij in het oude Egypte zou geleefd hebben (2). Zeker nadat Adriaan paus geworden was, werd Spierinck in Leuven beschouwd als een werktuig van de goddelijke voorzienigheid. Nu was Spierinck inderdaad een groot geleerde: een kleine eeuw later zal de beroemde plantkundige Rembert Dodoens manuscripten van Spierinck in zijn bezit hebben en daar gebruik van maken voor zijn Cruydtboeck.

Deze anekdote over de moordpoging op Adriaan laat ook zien hoe moeilijk kerkhervorming in de late Middeleeuwen was. Zo stuitte bijvoorbeeld het doorvoeren van een hervorming inzake de beleving van het celibaat in die tijd op haast onoverkomelijke moeilijkheden. In het boekje Epistola de miseria curatorum wordt de problematiek geschetst (3)

. Het gaat hier zogezegd om een brief waarin een oudere pastoor raad aan een jongen die priester wil worden. Hij waarschuwt die jongen voor negen kwelduivels die een pastoor het leven zuur maken, o.a. zijn huishoudster met wie de pastoor overigens in concubinaat leeft, maar die de baas over hem speelt, en de officiaal, die hem hiervoor boete laat betalen. Dat dit een realistisch beeld is blijkt uit de aartsdiaconale registers van het bisdom Luik. Bijvoorbeeld de naam van de dienstdoende pastoor van Tilburg, Nicolaus Jungelinx, vinden we in de periode van 1436 tot 1464 zevenmaal terug in deze registers omdat hij beboet wordt wegens "incontinentia cum famula sua" (4). We kunnen aannemen dat hij omwille van concubinaat met zijn huishoudster gedurende bijna dertig jaar jaarlijks een rijngulden boet heeft betaald. In de mentaliteit van priesters zoals Jungelinks was dat echter geen boete, maar een soort belasting, een taks op de concubines. En bij het opmaken van de begroting van een bisdom hield men er overigens rekening mee dat er ieder jaar een bepaald bedrag zou binnenkomen door die taks. In zijn boekje over de kerkelijke instellingen beschuldigt Erasmus dan ook de bisschoppen ervan dat zij omwille van deze inkomsten weigeren de celibaat - evenmin als de wet op het vleesderven en de al te strenge vastenwetten - af te schaffen (5). Dat dit geen excessieve kritiek is blijkt uit de omvangrijke studie van Francis Rapp over het bisdom Straatsburg: de bisschoppen die een hervorming wilden doorvoeren, staakten hun pogingen na enige tijd o.a. omdat zij de financies van hun bisdom in gevaar brachten (6).

Hieruit blijkt welk een formidabele taak Adriaan van Utrecht zich gesteld had wanneer hij, van zodra hij erkend was als leider van de theologen van Leuven, een hervorming van Kerk en theologie nastreefde. Het hervormingsstreven van Adriaan wil ik in deze bijdrage nader bekijken. De aandacht zal daarbij eerst gaan naar zijn professoraat in Leuven en vervolgens naar de andere activiteiten die hij mettertijd ontplooide. Een laatste hoofdstuk is gewijd aan een belangrijk aspect van zijn werkzaamheid nadat hij de Nederlanden verlaten heeft en bisschop, kardinaal en paus wordt, namelijk zijn optreden tegenover de protestantse hervorming. Hierbij beperk ik mij tot die acties die verband houden met de Nederlanden, en tot wat waarschijnlijk de belangrijkste daad van zijn pontificaat was: de schuldbekentenis die hij als paus namens de katholieke Kerk liet uitspreken op de Rijksdag van Nürnberg.



I. Adriaan als professor in Leuven



'Meester Adriaan in het Varken'



Adriaan van Utrecht liet zich op 1 juni 1476 als 17-jarige te Leuven immatriculeren (7). Tijdens zijn artesstudies verbleef Adriaan in het Varken, zoals de Lelie, de Valk en de Burcht een van de vier pedagogieën waarin praktisch een volledig curriculum van de colleges van de artesfaculteit werd gedoceerd. Op het ogenblik dat Adriaan in Leuven aankwam, was Johannes de Wydoe regent van het Varken. In 1479 zou deze laatste zijn pedagogie verkopen aan Nicolaas van der Meeren uit Utrecht. In 1478 deed Adriaan zijn licentiaatsexamen. Adriaan besloot zijn artesstudies als primus van zijn jaar. Daarop vatte hij zijn theologiestudies aan. Het curriculum van de theologische faculteit duurde op het einde van de 15de eeuw niet minder dan 12 jaar. Adriaan van Utrecht was een zeer regelmatige student en in de voorziene tijd doorliep hij de theologische faculteit. Hij werd licentiaat in de theologie op 1 augustus 1490; zijn promotie tot doctor vond plaats op 18, 20 en 21 juni 1491 (19 juni was een zondag). De kosten van Adriaans doctoraatspromotie werden gedragen door Margaretha van York, de weduwe van Karel de Stoute. Adriaan had dus al bij het begin van zijn academische carrière contacten met het hof, maar het is niet bekend hoe die tot stand gekomen zijn. Reeds in 1489 had hij de kanunniksprebende van het St.-Andreasaltaar in de Leuvense St.-Pieterskerk gekregen; deze prebende was verbonden met een leerstoel in de theologische faculteit. We mogen aannemen dat Adriaan na zijn licentiaatspromotie, dus in het academiejaar 1490-1491, is beginnen lesgeven aan de Leuvense theologische faculteit.

Vele studenten uit de hogere faculteiten, zeker uit de theologische faculteit, werden, nadat ze magister artium waren geworden, professor aan de artesfaculteit, en wel in de pedagogie waar ze zelf gestudeerd hadden. Dit was ook het geval voor Adriaan van Utrecht. In de hoedanigheid van professor legens in het Varken werd Adriaan op 1 oktober 1488 vertegenwoordiger van de artesfaculteit in de universiteitsraad. Ter gelegenheid van zijn licentiaats- en doctorspromotie in de theologie kreeg hij van de stad Rijnwijn aangeboden; hij wordt dan in de Leuvense stadsrekeningen "Meester Adriaan in het Varken" genoemd (8). Daaruit blijkt dat hij minstens tot 1491 in de pedagogie van het Varken woonde en als artesprofessor aldaar reeds enige naam gemaakt had. We vernemen slechts iets over de aankoop van een huis door Adriaan in een schepenakte van 11 februari 1502, waardoor hij in het bezit kwam van een eigendom in de Prooststraat (de huidige Naamsestraat), op de plaats waar thans het Koningscollege staat. Het is dus mogelijk dat Adriaan ook als theologieprofessor nog een tijdlang in het Varken bleef wonen. Zijn verblijf in het Varken zal van groot belang blijken te zijn voor zijn hervormingsactiviteit.



Hervorming van de theologiestudies



In de lijn van de achttiende-eeuwse universiteitshistoricus Jean Noël Paquot hangen historici in het algemeen een tamelijk ongunstig beeld op van de theologiebeoefening in Leuven op het ogenblik dat Adriaan aantrad als professor (9). Als gevolg van de belangrijke plaats die Petrus Lombardus in het theologieonderricht innam, zou de studie van de bronnen van de theologie verwaarloosd zijn. In hun commentaren op bijbelboeken zouden de vijftiende-eeuwse Leuvense theologieprofessoren niet zozeer de betekenis van het Woord Gods hebben pogen te achterhalen, maar naar aanleiding van bepaalde passages uitvoerig allerlei filosofische en speculatief-theologische kwesties behandeld hebben. Het is de vraag of deze kritiek terecht is. Van ongeveer de helft van de Leuvense theologieprofessoren uit de 15de eeuw zijn ons geschriften overgebleven, maar deze zijn nog te weinig bestudeerd om veel te kunnen zeggen over hun leerstellige opvattingen. Onder de professoren wier geschriften bewaard zijn gebleven, zijn er twee die tijdens Adriaans studietijd (van 1478 tot 1490) aan de faculteit doceerden. Gilles de Bailleul, professor van 1456 tot 1482, liet commentaren op de nieuwtestamentische brieven na. Van Petrus de Rivo zijn uit de tijd dat hij artesprofessor was Aristotelescommentaren bekend; waarschijnlijk uit de tijd van zijn professoraat in de theologie (van 1475 tot 1499) dateren enkele exegetische en theologische geschriften en zijn polemische traktaten over de kalenderhervorming. Over de opvattingen van de professoren van de generatie van Adriaans leermeesters vernemen we iets via een omweg. De reeds genoemde Gilles de Bailleul is samen met zijn collega Jan Varenacker opgetreden als adviseur van Dirk Bouts bij het vaststellen van thema en motieven van de iconografie van diens triptiek Het Laatste Avondmaal, die geschilderd is in opdracht van de Broederschap van het H. Sacrament. Uit dit schilderij blijkt dat deze theologen aanhangers zijn van de typologische exegese die in het Oude Testament voorafbeeldingen ziet van de heilsfeiten uit het Nieuwe Testament (10). Hoewel de kritiek die Paquot vanuit zijn meer 'verlicht' 18de-eeuws standpunt formuleerde waarschijnlijk te hard is, kunnen we een voorbeeld van disputen vol dialectische subtiliteiten alleszins vinden in de geschriften in verband met de jarenlang aanslepende twist over de 'futura contingentia', die in Leuven ontstaan is en waarin ook de universiteit van Parijs en de paus betrokken raken. Dit dispuut had een traumatiserende werking op de Leuvense faculteit der godgeleerdheid.

Vanaf het einde van de vijftiende eeuw kunnen we immers een ommekeer bemerken: in plaats van met speculatieve gaan de Leuvense theologen zich bij voorkeur met praktische, moraaltheologische en kerkjuridische kwesties bezighouden. Deze nieuwe oriëntatie van de theologiebeoefening is waarschijnlijk door Adriaan van Utrecht bewerkt; alleszins heeft hij er een rol in gespeeld. Dit blijkt uit een brief die Gerard Morinck in 1537 schreef aan Maarten Lips, vriend en medewerker van Erasmus en oom van de beroemde Justus Lipsius (11). Volgens Lips had Morinck zich in een vroegere brief te negatief uitgelaten over Erasmus. In zijn brief van 8 december 1537 geeft Morinck als antwoord op dit verwijt een afgewogen oordeel over Erasmus. Hij stelt dat deze laatste zich zeer verdienstelijk heeft gemaakt door zijn edities van de kerkvaders, vooral die van Hiëronymus, maar hij is het niet eens met Erasmus' kritiek op de scholastiek, waarin die zo goed als niets het lezen waard vindt. Weliswaar is er in veel geschriften van Thomas, Scotus en Durandus meer natuurfilosofie en dialectiek dan theologie te vinden, maar wat er aan theologie in zit, is zeker de moeite van het bestuderen waard, omdat veel zaken duidelijker, zorgvuldiger en ook directer door de scholastici zijn behandeld dan door de kerkvaders, die wegens het gebruik van vergelijkingen en retorische stijlfiguren meer in raadsels spreken. Dat te Leuven de methode om theologie te beoefenen is verbeterd, is volgens Morinck niet zozeer aan Erasmus te danken, maar wel aan de latere paus Adriaan VI, die er voor gezorgd heeft dat de theologische faculteit zich in plaats van met onbelangrijke kwesties is gaan bezighouden met de Schrift, de kerkvaders en de pauselijke wetten. Jean Briard, Nicolaas Baechem, Godschalc Rosemondt, Johannes Driedo, Jacobus Latomus en tenslotte ook de toenmalige leider van de Leuvense theologen, Ruard Tapper, bleven volgens Morinck trouw aan Adriaans wijze van theologiseren.

Dat de theologiebeoefening te Leuven rond 1500 - op het ogenblik dat Adriaan de onbetwiste leider van de faculteit is - verbeterd is, getuigt ook niemand minder dan Erasmus zelf in zijn Ratio verae theologiae (12). Volgens hem zijn er enkele universiteiten waar de speculatieve scholastiek op een meer beperkte schaal en met meer maat wordt beoefend, namelijk Cambridge in Engeland en Leuven in Brabant.

De (mede) door toedoen van Adriaan bewerkte theologiehervorming, waardoor de Leuvense theologen zich meer en meer gericht hebben op het onderzoeken van actuele kwesties in het licht van Schrift, kerkvaders en kerkelijk recht, is duidelijk geïnspireerd door Jean Gerson, de bekende Franse gematigd nominalistische en conciliaristische theoloog van een eeuw vroeger, die een groot voorstander was van de toewending van de theologie naar de praktijk van het kerkelijke en religieuze leven, zoals we die ook bij Adriaan en zijn leerlingen zien. Wat te Leuven in Adriaans tijd vooralsnog bleef ontbreken was een historisch- en literair-kritische studie van Schrift en kerkelijke traditie zoals door Erasmus bepleit werd. Weliswaar stond Adriaan zeker niet principieel afwijzend tegenover het humanisme als zodanig. Toen Erasmus zich in 1502 voor enige tijd in Leuven vestigde, werd hem door toedoen van Adriaan van Utrecht de vacante leerstoel poëtica aangeboden. Waarschijnlijk echter stond Adriaan evenals zijn leerlingen zeer kritisch tegenover het humanisme dat zich aanmatigde de theologie te hervormen en door het invoeren van een historisch-filologische bijbelkritiek een breuk in de traditie van de Kerk dreigde te bewerken. Alleszins bracht de bekommernis voor de 'authentieke' geloofstraditie Adriaan en met hem de Leuvense universiteit een tiental jaren later ertoe om partij te kiezen voor de bestrijders van de hebraïst Johannes Reuchlin. Overigens vermeldt Erasmus in zijn correspondentie dat Adriaan van Utrecht tussenbeide kwam ten voordele van het Collegium Trilingue; waarschijnlijk heeft hij bij die gelegenheid de uitspraak gedaan, die Erasmus hem in de mond legt: "Bonas litteras non damno, haereses et schismata damno" (13). Rond het midden van de 16de eeuw zullen de Leuvense theologen erin slagen het humanisme in hun theologiebeoefening te integreren.



Adriaan als theologieprofessor



Adriaan heeft zelf tijdens zijn verblijf te Leuven niets gepubliceerd, maar daar in handschrift wel een aantal theologische werken nagelaten. Deze geschriften, o.a. een commentaar op het boek Spreuken, zijn allemaal als autografen te vinden in één en dezelfde codex (14). In 1515 gaf een van Adriaans leerlingen te Leuven diens 'quaestiones quodlibeticae' uit en in 1516 publiceerde een bewonderaar te Parijs Adriaans 'quaestiones' over het vierde boek van Petrus Lombardus' Sententiae; deze boeken werden tijdens het leven van Adriaan, zeker na zijn pauskeuze, en vervolgens, na zijn dood, tot aan het midden van de 16de eeuw nog verschillende keren heruitgegeven. Behalve de eigen werken van Adriaan is in de codex een aantal bronnen voor de kerk- en theologiegeschiedenis te vinden, die Adriaan hetzij zelf heeft overgeschreven, hetzij door iemand anders heeft laten copiëren.

In de codex van Adriaans werken is ook een zestal redevoeringen te vinden die "in aula" gehouden zijn, dus bij een doctoraatspromotie. Waarschijnlijk gaat het hier om redevoeringen van de voorzitter, de praeceptor van de nieuwe doctor, tijdens de 'vesperiae', de plechtigheid aan de vooravond van de eigenlijke promotie: er is namelijk in deze redevoeringen sprake van de 'quaestio symbolica', die op de 'vesperiae' juist daarvoor door de doctorandus beantwoord is. Adriaan heeft een rede gehouden bij de promotie van Pieter Visschers of Petrus Piscatoris in 1497, van Jean Briard van Ath kort na 1497, van de paters Johannes Hamer en Johannes Codde in 1501, van Cornelis van Goes in 1502, van Jan Paesschen of Johannes Pascha in 1504 en van Nicolaas Baechem van Egmond of Nicolaus Egmondanus in 1505. Twee van deze leerlingen, Briard en Egmondanus, werden later zelf professor aan de faculteit. Behalve Briard en Egmondanus waren nog andere latere professoren van de faculteit door Adriaan gevormd, hoewel hij door zijn praeceptoraat van prins Karel en zijn missie in Spanje hun doctoraatspromotie niet meer kon bijwonen. De theologen die in de periode vanaf 1517, op het ogenblik van de polemieken tegen Erasmus en het humanisme en van de Lutherveroordeling en de bestrijding van de Reformatie, deel uitmaken van het 'collegium strictum' beschouwden zich als leerlingen van Adriaan van Utrecht, waarschijnlijk omdat ze praktisch allemaal bij het begin van hun theologiestudies nog colleges van Adriaan gevolgd hadden en /of hem als praeceptor hadden. Het gaat om Godschalc Rosemondt van Eindhoven, Maarten van Dorp of Dorpius van Naaldwijk, Johannes Driedo van Turnhout, Eustachius van Zichem, Jacobus Latomus van Cambron en Ruard Tapper van Enkhuizen. Het is dankzij de nieuwe, meer praktische oriëntatie van de theologie die te Leuven door Adriaan bewerkt is, dat ze een voorname rol hebben kunnen spelen in de polemiek tegen de nieuwe geestesstromingen van humanisme en Reformatie.



II. Adriaan als kerkelijk leider in de Nederlanden



Adriaan en zijn beneficies



Als professor ordinarius in de theologie was Adriaan, zoals gezegd, kanunnik van Sint-Pieterskerk. In 1497 werd hij tot deken van het kapittel verkozen, wat hem een zeer belangrijke positie gaf in universiteit en faculteit. De kapitteldeken van Sint-Pieters was vice-kanselier van de universiteit, maar wegens de permanente afwezigheid van de kanselier, de proost van Sint-Pieters, oefende hij in feite diens functie uit en werd hij in de praktijk als kanselier beschouwd. Hoewel het kanselierschap een erefunctie was - zijn taken waren beperkt tot het uitreiken (of laten uitreiken) van de diploma's en de bijbehorende kentekenen zoals de doctorshoed - oefende de kapitteldeken-(vice-)kanselier informeel een grote invloed uit: als deken had hij immers enig gezag over de andere professores ordinarii van de theologische faculteit, die immers allemaal kanunnik van Sint-Pieters waren, en ook over nog andere universiteitsprofessoren die eveneens daar een prebende hadden. Hoogstwaarschijnlijk heeft ook de persoonlijkheid van Adriaan er een aandeel in gehad dat vanaf zijn aantreden 'de deken van Leuven' een prominente positie bekleedde niet alleen in de universiteit, maar in heel het kerkelijk leven in de Nederlanden. Het is als deken dat hij de poging tot hervorming heeft ondernamen, waarvan in de inleiding sprake was.

Reeds vóór hij theologieprofessor werd had Adriaan de eerste kapelanie van het Groot Begijnhof in zijn bezit en uit hoofde hiervan was hij tot zielzorg bij de begijnen verplicht; : op 30 juni 1490 besloot het Sint-Pieterskapittel Adriaan omwille van deze pastorale taak vrij te stellen van het bijwonen van de getijden. Adriaan had ook nogal wat beneficies in de Noordelijke Nederlanden. Margaretha van York schonk hem rond 1492 het pastoraat van Goeree. Adriaan liet zich daar vervangen door een vicaris of vice-cureit, maar probeerde toch om tijdens de vakanties daar zelf de zielzorg te gaan uitoefenen. Rond dezelfde tijd kreeg hij van de stichter zelf, Everard van Hindersteyn, een kapelanie in de Sint-Pieter in Utrecht. Door toedoen van aartshertog Filips de Schone verwierf hij in de zomer van 1504 een kanunniksprebende in het Utrechtse domkapittel. Op 23 februari 1511 willigde paus Julius II een suppliek van Adriaan in en gaf hem de prebende in de kerk van St.-Marie in Utrecht. Op 25 februari 1512 gaf dezelfde paus aan Adriaan op diens verzoek toelating vier beneficies, met of zonder zielzorg, in zijn bezit te mogen hebben. Waarschijnlijk deed Adriaan hierom afstand van de kapelanie in de Utrechtse Sint-Pieter. Dat hij in 1513 de proosdij van de Utrechtse Salvatorkerk kreeg, was misschien ook de reden waarom hij in 1514 afstand deed van het pastoraat van Goeree, echter met behoud van een jaargeld. Ook nog in 1513 werd hij tot deken van het O.-L.-Vrouwkapittel van Antwerpen verkozen, maar de paus had dit beneficie reeds vergeven aan Jacob de Banisiis, de secretaris van keizer Maximiliaan, zodat Adriaan van deze prebende afstand deed. In 1515 werd hij evenwel nog kanunnik in Anderlecht.

Wat betreft zijn houding tegenover het beneficiewezen en de residentieplicht lijkt Adriaan helemaal niet hervormingsgezind te zijn, maar veeleer te behoren tot de prebendenjagers die het mikpunt van de kritiek van humanisten en reformatoren waren.

In zijn 'quaestiones' over het vierde boek der Sententiën heeft Adriaan zelf de vraag behandeld of cumulatie van beneficies, die noodzakelijkerwijze absenteïsme tot gevolg heeft, toelaatbaar is (15). Hij stelt zich zeer terughoudend op ten aanzien van de toelaatbaarheid van dergelijke praktijken - zijn leerlingen Latomus en Driedo zullen hem hierin navolgen -, maar merkt wel op dat cumulatie kan verontschuldigd worden als ze gebeurt met het oog op het goed van de Kerk. Waarschijnlijk zag Adriaan, die levenslang vasthield aan een sobere levensstijl, de royale inkomsten uit zijn beneficies als een mogelijkheid iets heilzaam te doen voor de Kerk, namelijk een collegestichting financieren, die zou bijdragen tot een betere vorming van de clerus.



Adriaan en de Leuvense colleges



Omdat hij ingevolge een conflict tussen de koning en de universiteit uit Frankrijk verbannen werd, keerde Johannes Standonck, de sterk door de Moderne Devotie beïnvloede principaal of overste van het Parijse Collège de Montaigu, in 1499 terug naar zijn vaderland, de Nederlanden (16). Hij maakte van zijn ballingschap gebruik om overal waar hij kon een college voor arme artes- en theologiestudenten te stichten naar het voorbeeld van het 'domus pauperum' dat hij in Montaigu ingericht had. Met zijn stichtingen beoogde Standonck voorzieningen tot stand te brengen om toekomstige priesters en religieuzen niet alleen een intellectuele maar ook een morele en spirituele vorming te kunnen bezorgen. Daarom waren de leden van de armengemeenschappen onderworpen aan een strenge tucht en een monastiek aandoende leefregel.

Begin 1500 kwam hij in Leuven. Zoals in Parijs wilde hij daar de armengemeenschap verbinden met een onderwijsinstelling. Hij slaagde erin de pedagogie van het Varken te laten opkopen door zijn Leuvense stichting. Adriaan van Utrecht trad hierbij op als bemiddelaar. Sinds 1499 was Theodoricus Thome van Amsterdam, een oud-leerling van Adriaan, regent van het Varken. De onderhandelingen tussen Standonck en Thome werden besloten ten huize van Adriaan van Utrecht met de ondertekening van een akte van overdracht van de pedagogie. De armengemeenschap, die haar intrek zou nemen in het achterhuis van het Varken, werd de eigenaar van de pedagogie, hoewel Thome voorlopig regent bleef. Op het ogenblik dat hij zou aftreden, zou de armengemeenschap het recht hebben een nieuwe regent te benoemen. In feite kwam dit erop neer dat het hoofd van het Standonckcollege ook regent was van de pedagogie en bijgevolg het recht had om de professoren in de pedagogie te benoemen. Het doel van dit alles was enerzijds de armengemeenschap te kunnen onderhouden met de inkomsten van de pedagogie en anderzijds in het Varken als onderwijsinstelling een streng beleid mogelijk te maken dat gericht was op de vorming van plichtsgetrouwe zielzorgers en kloosterlingen. Het duurde geruime tijd eer de universitaire gemeenschap, onder andere de faculteitsraad van de artes, door had dat er in het Varken een heel bijzondere constructie was ontstaan die afweek van wat tot dan in de pedagogieën gebruikelijk was. Na wat strubbelingen aanvaardde de artesfaculteit evenwel de zeggingschap van de president van het Standonckcollege over de pedagogie van het Varken. De eerste leden van de Leuvense armengemeenschap, zes magisters (waaronder Adriaans latere leerling Jacobus Latomus) en achttien artesstudenten, die voor het merendeel afkomstig waren uit Montaigu, werden op 17 november 1500 door Adriaan van Utrecht, die toevallig toen rector was, eigenhandig ingeschreven op de Leuvense matrikel.

Dat Adriaan zo effectief meegewerkt heeft bij het tot stand komen van een Standonckcollege naar Parijs' model te Leuven, wijst er waarschijnlijk op dat hij overtuigd was van de grote betekenis van de initiatieven van de principaal van Montaigu voor de opleiding van goede clerici en voor de hervorming van de Kerk. Alleszins heeft Jacobus Latomus gewezen op de grote betekenis van Standoncks stichtingen voor de ontwikkeling van een geëigend opleidingsinstituut voor de clerus. In een quaestio quodlibetica uit 1516-18 zingt hij niet alleen de lof van de Leuvense artesfaculteit omdat ze haar arme studenten gratis laat studeren, maar prijst hij ook Johannes Standonck omdat die zich bijzonder heeft ingespannen om arme maar begaafde jongens een voor toekomstige zielzorgers passende opleiding te bezorgen (17). Latomus ziet heel goed dat het ook Standonck te doen is om een hervorming van de Kerk en dat die daarbij schatplichtig is aan Gerson: hij citeert de fameuze uitspraak van deze laatste: "Si ecclesia reformanda sit, a pueris inchoandaum esse", "als men de Kerk wil hervormen, moet men bij de kinderen beginnen".

Uit de studies van Edward de Maesschalck over de Leuvense collegestichtingen blijkt dat Latomus het bij het rechte eind had voor wat betreft zijn oordeel over de betekenis van Standonck (18). Het Leuvense Standonckcollege oefende immers grote invloed uit op latere collegestichtingen, die veel meer dan vroeger afgestemd waren op de vorming van toekomstige priesters en aldus a.h.w. tridentijnse seminaries avant la lettre waren. De leefregel van de latere seminaries in de Nederlanden was overigens dikwijls door de 'moderne' Leuvense colleges geïnspireerd.

Tot aan zijn vertrek uit Leuven was Adriaan betrokken bij elke nieuwe collegestichting die er in deze periode in de universiteitsstad gebeurd is: na het Standonckcollege het Trotcollege vanaf 1501, het Atrechtcollege in 1508 en het Houterlécollege sedert 1511. Bovendien hielp hij als testamentuitvoerder - bijvoorbeeld reeds in 1499 van zijn leermeester Petrus de Rivo - meerdere beurzen oprichten. Tenslotte was hij ook beheerder van het H.-Geestcollege. Vanaf 1511 had hij het plan zelf een college voor theologiestudenten op te richten zoals het H.-Geestcollege. Toen hij in dat jaar raadsheer van prins Karel werd benoemd en zich in Mechelen ging vestigen, maakte hij op 26 december zijn testament op. Hij handelde hierin uitsluitend over de stichting van een college in zijn huis. Hij gaf de voorkeur aan het oprichten van een heel nieuw college boven het stichten van beurzen in het H.-Geestcollege omdat hij een instelling nastreefde die in de geest van Standonck was ingericht.

In het huis dat hij in februari 1502 gekocht had in de Prooststraat, heeft Adriaan blijkbaar maar korte tijd of misschien zelfs nooit gewoond, want in september van hetzelfde jaar kocht hij een veel grotere woning die in de Meierstraat rechttegenover het Standonckcollege gelegen was. Hij voerde verbouwingswerken door waarvoor hij volgens Morinck gelukgewenst werd door de pauselijke legaat Bernardinus de Carvajal die in juni 1508 enige tijd bij Adriaan te gast was. In 1504 deed hij het huis in de Prooststraat van de hand voor een jaarlijkse rente. Morinck vertelt dat Adriaan eraan dacht nog een tweede college - naar alle waarschijnlijkheid bestemd voor artesstudenten - te stichten. Inderdaad had Adriaan rond 1511 een groot domein in de Cattestraat (de huidige De Bériotstraat) aangekocht en dat later nog uitgebreid. Tenslotte heeft hij echter in zijn definitief testament van 1523 slechts één college en wel voor theologiestudenten gesticht in zijn huis in de Meierstraat, het huidige Pauscollege. Behalve een goede dotatie in rente en weiden kreeg dit ook de eigendommen in de Cattestraat, die het dan in de daaropvolgende jaren voor veel geld kon verkopen. Ook het Pauscollege was een stichting in de nieuwe stijl met een streng en gecentraliseerd beleid van een machtige president. Het was immers duidelijk als opleidingsinstituut voor priesters bedoeld en het was dan ook het model voor seminaries zoals het Concilie van Trente die in ieder bisdom wilde laten instellen.



Adriaans rol in de kerkelijke en politieke aangelegenheden in de Nederlanden



In Adriaans codex zijn niet alleen werken die in verband staan met zijn professoraat, maar ook geschriften bewaard, die eerder voortgesproten zijn uit zijn pastorale werkzaamheid of zijn activiteiten als kerkelijk beleidsman, namelijk preken en antwoorden op consultaties (19). In 1497 heeft Adriaan, op dat ogenblik ook pastoor van Goeree en kapelaan in de Utrechtse Sint-Pieterskerk, gepreekt op de synode van het bisdom Utrecht. Het ging in die preek ook alweer over de hervorming van de clerus.

Als coryfee van de Leuvense theologische faculteit van die tijd kreeg Adriaan in 1507 van de landvoogdes Margaretha van Oostenrijk de opvoeding van prins Karel, de toekomstige Karel V, toevertrouwd. Waarschijnlijk is Adriaans invloed niet vreemd aan Karels onverzettelijke katholieke geloofsovertuiging. Mettertijd kreeg Adriaan van het hof nog andere belangrijke opdrachten, bv. bemiddeling in feodale conflicten. In 1511 werd hij o.a. hertogelijk raadsheer benoemd, wat het hem onmogelijk maakte om tussen Leuven en Mechelen op en af te reizen, zodat hij zich in 1512 bij het hof vestigde. Toen Karels grootvader Ferdinand de Katholieke ziek werd en zijn levenseinde zag naderen, moest er een vertrouweling naar Spanje gezonden worden om Karels rechten op de Spaanse troon veilig te stellen en eventueel het regentschap op zich te nemen. De keuze viel om niet helemaal duidelijke redenen op Adriaan, Karels vroegere leermeester, die bijgevolg in oktober 1515 naar Spanje afreisde met de volmacht om in diens naam het regentschap over Castilië te bemachtigen, zodra Ferdinand de ogen gesloten zou hebben.

Juist voor hij naar Spanje ging, kreeg Adriaan nog een belangrijke benoeming. Rond 1510 hadden de dijken in Holland en Vlaanderen veel schade opgelopen. Prins Karel richtte daarom een verzoek aan de paus om een aflaat uit te schrijven voor al degenen die door geld of arbeid zouden bijdragen tot het herstel der dijken. Op 7 september 1515 willigde paus Leo X - mits een deel van de inkomsten hem zouden toekomen ten voordele van de bouw van Sint-Pieter in Rome - Karels verzoek in en schreef hij de zogenaamde 'dijkaflaat' uit voor de Nederlanden, voor zover ze deel uitmaakten van Karels landen. Deze aflaat, die in andere landen bekend is als de Sint-Pietersaflaat, kon gedurende drie jaar gepreekt worden; zolang werden andere aflaten opgeschort. Op 23 september 1515 stelde de paus Adriaan van Utrecht aan tot aflaatcommissaris voor de Nederlanden. Doch omdat Adriaan juist op dat ogenblik naar Spanje vertrok, werd Jan Huybrechts van Lommel, een oud-leerling van Adriaan uit het Varken en op dat ogenblik onder andere aartsdiaken van de Famenne in het bisdom Luik, als plaatsvervanger aangesteld. Huybrechts publiceerde een boekje Interpretatio et declaratio Bullae Indulgentiarum om aan te geven wat er allemaal juist vereist om een aflaat te kunnen verdienen (20). Jean Briard, Adriaans vervanger als kapitteldeken in Leuven, trad in 1516 als orator op in de decemberdisputen van de artesfaculteit en wijdde zijn quaestio quodlibetica aan de aflaat. Enige tijd na Luthers protest tegen de aflaat legden enkelen van diens volgelingen Briards quaestio te Leipzig ter perse omdat ze die beschouwden als redelijk kritisch ten opzichte van (de misbruiken van) de aflaathandel.

Op het ogenblik dat Adriaan vertrok naar Spanje, was hij - als Antwerps kapitteldeken! - ook nog betrokken geraakt bij de geschiedenis van het Antwerpse augustijnenklooster (21). Hij heeft door zijn bemiddelende rol niet weinig bijgedragen tot de canonieke oprichting te Antwerpen van het klooster van de Saksische augustijnen, orde- en zelfs congregatiegenoten van Luther. Het is best mogelijk dat hij dat later betreurd heeft, want de Antwerpse augustijnen ontpopten zich na enkele jaren later tot felle critici van de aflaathandel, die uitgerekend hijzelf en zijn plaatsvervanger Huybrechts moesten organiseren.

III. Adriaan als bisschop, kardinaal en paus



Adriaan, de Leuvense theologen en de Lutherkwestie



Adriaan, die in Spanje aanvankelijk nog slechts als 'de deken van Leuven' bekend stond, werd benoemd tot bisschop van Tortosa in de zomer van 1516. Op 1 juli 1517 kreeg hij de kardinaalshoed. Zo kwam vast te staan dat Adriaan nooit nog zijn ambt als theologieprofessor in Leuven zou uitoefenen. In 1519 resigneerde hij als kanunnik en deken van Sint-Pieters van Leuven. Zodra hij hogere kerkelijke waardigheden kreeg, verwezen zijn leerlingen in hun geschriften graag naar hun vroegere leermeester. Gezien diens grote gezag kan het geen verwondering wekken dat zijn leerlingen ook een beroep op hem deden wanneer zij voor een van de belangrijkste beslissingen uit de geschiedenis van de Leuvense faculteit stonden, nl. het vellen van een oordeel over de theologie van Maarten Luther, die in heel de Westerse christenheid bekend was geworden door zijn stellingen tegen de aflaat van 31 oktober 1517 (22). Rond de jaarwisseling 1518-19 was te Leuven een bundel aangekomen met traktaten van Luther, die in het najaar van 1518 bij Froben te Basel gedrukt was. De Leuvense theologen vonden dat diverse in dit boek verkondigde opvattingen naar ketterij zweemden en stelden een doctrineel onderzoek in. In de loop van hun onderzoek stuurden zij een lijst met Errores excerpti, voorzien van theologische kwalificaties, aan Adriaan van Utrecht; over diens reactie hierop is evenwel niets geweten. Op 7 november 1519 ging de Leuvense theologische faculteit over tot de plechtige veroordeling van een aantal stellingen van Luther uit de Frobenbundel. Zij verstuurden nog op de dag van de veroordeling hun censuur naar hun inmiddels bisschop en kardinaal geworden leermeester en oud-collega Adriaan van Utrecht. In een brief van 4 december 1519 betuigde deze laatste zijn volledige instemming met hun stellingname. De brief van Adriaan werd als inleiding op de publicatie van de Leuvense en Keulse Lutherveroordeling gedrukt bij Dirk Martens te Leuven in februari 1520.

Evenals zijn leerlingen verzette Adriaan zich tegen de bemiddelingspolitiek van Erasmus (23).



Adriaan en de inquisitie in de Nederlanden



Toen Adriaan van Utrecht paus was (van begin 1522 tot aan zijn dood in de herfst van 1523), werd hij nogmaals gedwongen in te grijpen in de geschiedenis van het Antwerpse augustijnenklooster (24). Uit de matrikel van Wittenberg blijkt dat nogal wat leden van de Antwerpse augustijnergemeenschap studeerden aan deze universiteit, waar medebroeders uit de Saksische provincie doceerden, onder andere Maarten Luther. Zo is het gemakkelijk te begrijpen dat de Antwerpse augustijnen eveneens ten strijde trokken tegen de aflaathandel. Volgens Emmanuel van Meteren namen zij vooral aanstoot aan de verpachting van de aflaatverkoop aan Antwerpse kooplieden. Bij de prediking tegen de aflaathandel trad te Antwerpen de prior van de augustijnen, Jacobus Praepositus, op de voorgrond. In zijn correspondentie prijst Erasmus hem als zowat de enige predikant die niet het geldelijk gewin, maar Christus predikte. Onmiddellijk na haar ontstaan op het einde van 1521, stelde de vorstelijke inquisitie onder de leiding van Adriaans vriend Frans van (der) Hulst en onderzoek in tegen het Antwerpse augustijnenklooster (25).

Tegen de wil van het Antwerpse convent in confirmeerde paus Adriaan in een breve van 23 november 1522 de verkiezing van Jan van Mechelen tot vicaris van de augustijnerorde in de Nederlanden. Op vraag van Margaretha van Oostenrijk en Karel V bekrachtigde hij de opheffing van het Antwerpse klooster, dat men dan op 16 januari 1523 begon af te breken. Het proces tegen de Antwerpse augustijnen eindigde op 1 juli 1523 met de dood op de brandstapel van twee van hen, namelijk Hendrik Voes en Jan van Es(s)ch(en), de eerste martelaars van de Reformatie. Weliswaar werden de gebouwen van het Antwerpse convent gesloopt, maar de kloosterkerk die nog in aanbouw was, werd afgewerkt. Enkele jaren later werd ze de parochiekerk van Sint-Andries.

Behalve voor de aangelegenheden van het Antwerpse augustijnenklooster, kwam Adriaan nog op een andere wijze tussenbeide in de geschiedenis van de vorstelijke inquisitie. Op 1 juni 1523 benoemde Adriaan VI Van (der) Hulst, de keizerlijke inquisiteur, niettegenstaande hij een leek was, ook nog tot pauselijk inquisiteur. Dit kon niet beletten dat de dagen van de inquisitie geteld waren. Wegens procedurefouten in de zaak van Cornelis Hoen werd in september 1523 de macht van Van der Hulst beperkt en enige tijd later werd hij afgezet. In dezelfde maand stierf paus Adriaan, die duidelijk zijn steun had betuigd aan de keizerlijke inquisitie, waarin vrienden en leerlingen van hem actief waren. Volgens Erasmus ontliep Van der Hulst ternauwernood de doodstraf wegens machtsmisbruik. Het experiment met een 'wereldlijke' inquisitie en een leek als inquisiteur werd niet meer herhaald. Op voordracht van de landvoogdes werden in 1524 drie geestelijken benoemd tot algemene inquisiteurs. Degene onder hen die het meest op de voorgrond zou treden, o.a. in een proces tegen Brusselse kunstenaarskringen in 1527, was Nicolaas Coppin, de opvolger van Adriaan van Utrecht als deken van Sint-Pieter en als vice-kanselier van de universiteit (26).



Adriaans schuldbekentenis op de Rijksdag van Nürnberg



Adriaan VI was een grote paus, die heel duidelijk zag wat er in de christenheid moest gebeuren: vrede bewerken onder de christelijke vorsten om gezamenlijk het hoofd te bieden aan de dreiging die uitging van de Turken en een definitief schisma tussen de katholieke Kerk en de volgelingen van Luther voorkomen. Maar Adriaan kreeg te weinig tijd om veel te realiseren. Pas nadat hij in Spanje een aantal zaken geregeld had en na een lange zeereis kon hij op 31 augustus 1522 in de St.-Pieter te Rome tot paus gekroond worden en reeds op 14 september 1523 stierf hij. Hij werkte hard voor de vrede onder de Europese vorsten. Niettegenstaande hij nauw verbonden was met keizer Karel V bewaarde Adriaan in diens conflict met de Franse koning Frans I een onpartijdige en verzoenende houding, maar door kuiperijen aan de curie zag hij zich genoodzaakt op 3 augustus 1523 toe te treden tot een liga om de Turken, die in december 1522 Rhodos veroverd hadden, te gaan bestrijden. Tot deze liga hoorde wel Karel V, maar niet Frans I, zodat Adriaan zijn neutraliteit moest opgeven. Voor wat betreft zijn streven naar hervorming en zijn houding tegenover de protestantse Reformatie is de Rijksdag van Nürnberg op het einde van 1522 zeker de belangrijkste gebeurtenis van zijn pontificaat.

Toen op 1 september 1522 - de dag na zijn pauskroning - de Rijksdag van Neurenberg werd bijeengeroepen, zag Adriaan een kans om de breuk in de christenheid die door Luthers optreden was ontstaan, te herstellen. Op dezelfde 1 september 1522 hield Adriaan zijn eerste consistorie, waarop hij zijn hervormingsprogramma uiteenzette. Enkele maanden later zond hij de bisschop van Teramo, Francesco Chieregati, naar de Rijksdag die op 22 november werd geopend. Chieregati had instructies bij zich, die op 10 december 1522 en op 3 januari 1523 voorgelezen werden. Hierin bood Adriaan zijn verontschuldigingen aan voor de fouten van de kerk van Rome, die z.i. mede de oorzaak waren voor het ontstaan van de Reformatie. In de tijd van het Tweede Vaticaans Concilie heeft de Leuvense kerkhistoricus Karel Blockx hierover een uiterst interessant artikel geschreven (27). De titel van dit artikel is ontleend aan de rede van Paulus VI tijdens de openingsplechtigheid van de tweede sessie - de eerste onder diens pontificaat - van dit concilie en bestaat uit de beginwoorden van een passage waarin de paus na een begroeting van de vertegenwoordigers van de van de Rooms-Katholieke Kerk afgescheiden kerken alludeert op de schuld van katholieken aan die scheiding en daarvoor aan God en de afgescheiden broeders vergeving vraagt. Het is de bedoeling van Blockx' artikel erop te wijzen dat de schuldbekentenis van Paulus VI geenszins zo onuitgegeven was als toen dikwijls gedacht werd; hoewel het hier eerder gaat om een uitzondering erkende alleszins bv. de H. Clemens Maria Hofbauer in de 19de eeuwde volmondig de fouten van de katholiek Kerk voor de Reformatie. Blockx gaat in zijn artikel vooral in op enkele getuigenissen uit de eerste helft van de 16de eeuw over de erkenning van medeverantwoordelijkheid van Rome voor het ontstaan van de Reformatie. Deze schuldbekentenissen zijn te situeren in de stroming die ijverde voor hervorming van de Kerk. De eerste belangrijke vertegenwoordiger daarvan was paus Hadrianus VI en bij hem blijft Blockx het langste stilstaan (28). Verder bespreekt deze historicus nog kort de schuldbekentenis van de door Paulus III ingestelde commissie voor de hervorming van de Kerk en van de pauselijk legaten tijdens de tweede sessie van het Concilie van Trente. Deze schuldbekentenissen uit resp. 1537 en 1546 staan duidelijk in de lijn van de instructie die op last van paus Hadrianus door Chieregati te Nürnberg werd uitgesproken en zijn daardoor geïnspireerd.

Hierbij valt op te merken dat Adriaan als oorzaken van de Reformatie praktisch uitsluitend de schandalen en misbruiken in de Kerk ziet, zoals het immorele leven van gelovigen, vooral van prelaten, en de hebzucht en het winstbejag, dat blijkt uit vele alom verspreide gebruiken. Dat de Reformatie ook theologische oorzaken heeft, die te maken hebben met grote gebreken in de verkondiging en in de liturgie zoals die in die tijd gebeurden, ligt buiten het vizier van Adriaan.



Conclusie



Adriaan als promotor van een katholieke hervorming reeds vóór de protestantse Reformatie



Adriaan Floriszoon heeft als leidende figuur in de Leuvense theologische faculteit en mettertijd in de kerk van de Nederlanden een belangrijke hervormingswerkzaamheid uitgeoefend. Vooral de intellectuele, morele en spirituele vorming van de clerus had zijn aandacht. Opvallend is in dit opzicht vooral zijn hervorming van de theologiebeoefening te Leuven in een meer praktische zin en zijn medewerking aan de stichting van het colleges zoals dat van Standonck, die het model zullen leveren voor een nieuwsoortige priesteropleiding in seminaries, die door het Concilie van Trente voorgeschreven werden. Als theologieprofessor in Leuven leidde Adriaan een generatie theologen op, waarvan er enkele beroemd zouden worden in de strijd tegen de Reformatie. Ook wanneer Adriaan geen paus zou geworden zijn, zou hij toch als de belangrijkste figuur uit de geschiedenis der Leuvense theologische faculteit vóór de Reformatie moeten beschouwd worden.

De cumulatie van beneficies waaraan Adriaan zich op typisch laatmiddeleeuwse wijze zelf ook bezondigde, kon volgens hem vergoelijkt worden wanneer ze in functie stond van de vorming van degelijke priesters. Daarvoor immers waren universitaire colleges nodig, waarvan zijn eigen Leuvense Pauscollege, dat hij reeds in 1511 geconcipieerd had en uiteindelijk door zijn testament enkele dagen voor zijn dood in 1523 oprichtte, het mooiste voorbeeld was. Men kan zeggen dat vooral daardoor Adriaan reeds lang voor er van een protestantse Reformatie sprake was, te Leuven en ruimer in de Nederlanden en uiteindelijk in heel de wereldkerk de basis heeft gelegd voor de Contrarefomatie, die dan tegelijkertijd als een katholieke hervormingsbeweging moet gezien worden.



Evaluatie van Adriaans hervormingsstreven in het licht van Congars studie over kerkhervorming



In zijn uit het midden van vorige eeuw daterende, uiterst invloedrijke en nog altijd richtinggevende studie Vraie et fausse Réforme maakt de grote Franse dominicanertheoloog Yves Congar een onderscheid tussen drie soorten van kerkhervorming naargelang ze betrekking heeft op de structuur (in het enkelvoud), de structuren (in het meervoud) of het leven van de Kerk (29). Met de structuur duidt Congar de Kerk als instituut (dogma, sacramenten, hiërarchie) aan; deze structuur is in principe onveranderlijk. De structuren zijn de tijdgebonden vormen waarin die structuur gevat is: de concrete vormgeving van catechese, verkondiging, theologie, liturgie, pastoraal, enz. Met het 'leven' wordt bedoeld het morele gedrag van gelovigen en kerkelijke leiders. Men kan aldus onderscheiden: een hervorming van de structuur, een hervorming van de structuren en een morele hervorming. Deze laatste soort van hervorming bestaat in het herstellen en naleven van de juiste leefregels, wanneer daarvan afgeweken is. Dergelijke hervorming stelt weinig problemen: iedere katholiek kan er ten allen tijde voor zichzelf mee beginnen. De problematiek van een kerkhervorming doet zich vooral voor wanneer zich een hervorming van de structuren opdringt, want die moet doorgevoerd worden zonder de wezenlijke structuur van de Kerk te veranderen; dit laatste zou een 'valse' hervorming zijn die leidt tot een schisma (omdat ze ketters van inspiratie is). In zijn boek over kerkhervorming en -vernieuwing gaat Congar in op deze problematiek. Hij laat o.a. zien hoe het protestantisme op wezenlijke structuur van de Kerk een andere visie, die verklaart waarom de Reformatie tot een schisma heeft geleid. Volgens Congar stellen reformatoren en protestantse theologen zich Gods genadewerking heel anders voor dan katholieke denkers. In het Protestantisme maakt de genade een beweging van binnen naar buiten: de rechtvaardiging gebeurt in een innerlijk geloof dat zich vervolgens uit in belijdenis en sacrament; hoogstens aanvaardt een protestant kan hij de inwerking van het Woord Gods aanvaarden. In de katholieke Kerk gaat het om een beweging van buiten, namelijk via de uiterlijke elementen van Woord en Sacrament naar binnen, naar de innerlijkheid: de Kerk is er een uiterlijk genademiddel.

Als belangrijkste richtlijn bij een hervorming geldt volgens Congar dat die moet gebeuren door een herbronning aan het 'principe' van de Kerk en dat is de Traditie. Hij heeft zijn opvattingen hierover later breedvoerig uitgewerkt in de tweedelige studie La Tradition et les traditions, die aan de vooravond van het Tweede Vaticaans concilie is verschenen en waarin hij met een gelijkaardig onderscheid tussen enkelvoud en meervoud werkt als in Vraie et fausse Réforme (inzake Traditie / tradities nog versterkt door het gebruik van een hoofdletter of een kleine letter) (30). De apostolische Traditie is normatief en aldus in een bepaalde zin onveranderlijk (31), maar ze is wel steeds gevat in veranderlijke tradities. Een hervorming van de Traditie kan eigenlijk niet want dat zou een 'valse' hervorming zijn, maar de kerkelijke tradities moeten dikwijls hervormd worden om beter de Traditie tot uitdrukking te brengen. De opvattingen van Congar zijn overgenomen in de Catechismus van de Katholieke Kerk (32).

Wanneer we in het licht van Congars opvattingen kijken naar de hervorming die Adriaan nastreefde, moeten we vaststellen dat die duidelijk anders georiënteerd was dan die van Erasmus, die bijvoorbeeld een grondiger hervorming van de theologie nastreefde. Erasmus verweet terecht aan Adriaan dat die "totus scholasticus" was en bleef. Dit betekent dat Adriaans hervorming beperkt bleef tot een morele hervorming binnen de bestaande structuren. Adriaan stelde 'structuren' zoals het laatmiddeleeuwse beneficiewezen of de scholastieke theologie geenszins in vraag. Daarom is zijn hervormingsstreven in het algemeen misschien ietwat beperkt. Doch met zijn ijveren voor een betere priesteropleiding heeft hij zeker wel een begin gemaakt met wat men zou kunnen typeren als een hervorming van de structuren (33).

Voor een juiste beoordeling van Adriaan streven in vergelijking met dat van Erasmus, moeten we ons ook afvragen of de hervorming die deze laatste wilde bewerken eigenlijk niet - evenzeer als of zelfs meer dan die van Luther - een breuk met de Traditie behelsde. Voor de vergelijkende evaluatie van Adriaans en Erasmus' hervormingsstreven bekijken we daarom nog even de celibaatskwestie die al in de inleiding van dit artikel aangesneden werd. De reeds enkele malen vermelde leerling van Adriaan, Jacobus Latomus, reageert in een geschrift uit 1525 tegen de voorstellen van Erasmus inzake de celibaatswet (34). Hij verwijst naar het Concilie van Nicea, waar de belijder Paphnutius gesteld zou hebben dat volgens de oorspronkelijke Traditie weliswaar een gehuwde man priester gewijd kan worden, maar een huwelijk na het ontvangen van een van de hogere wijdingen (diaken, priester en bisschop) onmogelijk is (35). Deze wet geldt zowel in het Oosten als in het Westen. Latomus legt vervolgens uit dat een van de verschillen tussen de Griekse en de Latijnse kerk, dat in deze laatste aan die wet is toegevoegd geworden dat degenen die een hogere wijding ontvangen hebben, daarna in onthouding leven (zodat mettertijd alleen ongehuwden gewijd werden). Dit komt erop neer dat in heel de Kerk, zowel de Griekse als de Latijnse, het krachtens apostolische Traditie onmogelijk is dat degenen die als ongehuwde gewijd zijn of die na hun wijding weduwnaar zijn geworden, (opnieuw) zouden trouwen. Het hervormingsvoorstel van Erasmus druist dus in tegen de Traditie. Om het in de terminologie van Congar te stellen: Erasmus wil veranderingen aanbrengen in de wezenlijke structuur van de Kerk. Daarom moet zijn hervormingsvoorstel afgewezen worden. Hervormers die willen tegemoet komen aan verwachtingen die oprijzen in de Kerk van hun tijd, maar tegelijk trouw willen blijven aan de apostolische Traditie, beschikken dus over merkelijk minder speelruimte dan iemand als Erasmus dacht. Vanuit dit perspectief gezien is het best mogelijk dat Adriaan door zijn inzet voor een betere priesteropleiding ook inzake de celibaatswet voor de beste weg naar een diepgaande kerkhervorming gekozen heeft.

Gelijkaardige problemen als waarmee Adriaan zich geconfronteerd zag, stellen zich ook nog in de Kerk van vandaag. Zijn hervormingsstreven heeft daarom ook betekenis voor de actualiteit. Ook dit willen tot slot nog even belichten aan de hand van de celibaatskwestie. In een recent internationaal verspreid krantenartikel laat Hans Küng zich heel kritisch uit over zijn vroegere Tübinger collega Joseph Ratzinger, thans als paus bekend onder de naam van Benedictus XVI (36). Küng zegt over de paus: "Hij is in de kerk onbelemmerd regeringsleider, wetgever en hoogste rechter. Hij zou, als hij zou willen, van de ene dag op de andere (...) het priesterhuwelijk kunnen toestaan". Het is duidelijk dat Küng dezelfde positie inneemt als Erasmus. Maar het is evenzeer duidelijk dat ook vandaag het antwoord van de katholieke Kerk aan Küng hetzelfde zal zijn als dat wat Latomus aan Erasmus gaf: de Oosterse (Griekse) traditie zouden we eventueel kunnen invoeren, maar zelfs de paus kan niet het huwelijk van gewijde priesters toestaan, want dat gaat volgens beslissingen die reeds in de christelijke Oudheid (Concilie van Nicea?) zijn genomen, in tegen de apostolische Traditie waaraan ook de paus gebonden is (die dus geenszins een onbelemmerde machthebber zoals Küng hem voorstelt) . Aldus kunnen wij onze tijd nog veel leren uit het hervormingsstreven van Adriaan van Utrecht.

1. Gerardus Moringus, De vita Hadriani VI, in: Casparus Burmannus, Hadrianus VI, sive Analecta historica de Hadriano sexto Trajectino, papa Romano, Trajecti ad Rhenum: Apud Jacobum a Poolsum, 1727, p. 1-82. Een recente algemene studie over Adriaan van Utrecht, met vele verwijzingen naar bronnen en literatuur: Marcel Gielis, 'Adriaan van Utrecht (1459-1523) als professor aan de universiteit van Leuven en als kerkelijk leider in de Nederlanden', in: Provinciale Commissie voor Geschiedenis en Volkskunde. Provinciebestuur van Antwerpen. Jaarboek 2001-2002, 13 (2003), p. 40-56.

2. Latomus, Opera adversus horum temporum haereses, Lovanii: Bartholomaeus Gravius suis impensis, Petri Phalesii, ac Martini Rotarii, 1550, f. 159 v C-D: "Ioannes cognomento Spirinck num tibi videtur contemnendus medicus, aut praeceptor eius Iacobus a Partibus? Si olim eos Aegiptus habuisset, forsan in deos retulisset, non minus quam Esculapium aut eius nepotem Mercurium Trismegistum "

3. Epistola de miseria curatorum, seu plebanorum, Auguste Vindelicorum: Ratdolt, 1489. De colofon is uit een ander boek overgenomen en is foutief.

4. G. Bannenberg, A. Frenken en H. Hens, De oude dekenaten Cuijk, Woensel en Hilvarenbeek in de 15de- en 16de-eeuwse registers van het aartsdiakenaat Kempenland, 2 dln., s.l.: s.n., 1968-1970, dl. 2, p. 121, 123, 129-132 en 134.

5. Desiderius Erasmus, Het verbod vlees te eten en andere gelijkaardige bepalingen die van mensen uitgaan, vert. door John Piolon, Rotterdam: Ad. Donker, 2006.

6. F. Rapp, Réformes et Réformation à Strasbourg. Église et société dans le diocèse de Strasbourg, 1450-1525, Paris: Ophrys, [1974].

7. Voor de biografische gegevens over Adriaan van Utrecht zie mijn reeds vermeld artikel: Gielis, 'Adriaan van Utrecht'.

8. Edward van Even, 'Adriaan Florisz. van Utrecht aan de hoogeschool van Leuven (1476-1515)', in: Dietsche Warande, 7 (1894), p. 383 en 387.

9. Zie het uitvoerige citaat van Paquot bij: Henri de Jongh, L'ancienne faculté de théologie de Louvain au premier siècle de son existence (1432-1540), Louvain, 1911, p. 77-78 en Edmond J.M. van Eijl, 'De theologische faculteit te Leuven in de XVe en XVIe eeuw. Organisatie en opleiding', in: Facultas S. Theologiae Lovaniensis 1432-1797. Bijdragen tot haar geschiedenis - Contributions to its history - Contributions à son histoire, uitg. door Edmond J.M. van Eijl, Leuven, 1977, p. 73.

10. Zie voor een omschrijving en waardering van de typologische exegese, in relatie ook tot de beeldende kunsten: Marcel Gielis, 'Kerkelijk leven en de devoties van de lekengelovigen in de laat-middeleeuwse Zuidelijke Nederlanden', in: Geloven in de Lage Landen. Scharniermomenten in de geschiedenis van het christendom, uitg. door Peter Nissen, Leuven: Davidsfonds, 2004, p. 61-63.

11. Gerard Morinck, ep. 3, r. 302-330, in: Henry de Vocht, Monumenta humanistica Lovaniensia. Texts and studies about Louvain humanists: Erasmus, Vives, Dorpius, Clenardus, Goes, Moringus, Leuven, 1934, p. 551-553.

12. Desiderius Erasmus van Rotterdam, Ratio seu Methodus compendio perveniendi ad veram Theologiam, in: Ausgewählte Schriften, dl. III, uitg. door Gerhard B. Winkler, Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft, 1967, p. 486-488.

13. Desiderius Erasmus van Rotterdam, Opus epistolarum, uitg. Percy S. Allen, Oxford, 1906-1947, nr. 2466. 64-67. Vgl. Henry de Vocht, History of the Foundation and the Rise of the Collegium Trilingue Lovaniense, dl. I, Leuven, 1951, p. 526.

14. Raymond Macken, 'The Hadrian VI Codex', in: Ephemerides Theologicae Lovanienses, 59 (1983), p. 99-113; vgl. Raymond Macken, Medieval philosophers of the former Low Countries: bio-bibliography and catalogue, Leuven, 1997, p. 257-264. De AdriaanVI-codex werd tot aan de Franse Revolutie bewaard in het Leuvense Pauscollege, vervolgens tot ca. 1970 in het Mechelse Grootseminarie en thans in de Maurits Sabbebibliotheek van de Faculteit der Godgeleerdheid van Leuven. Een gedeelte van de geschriften die in de Adriaan VI-codex te vinden waren, werd in de 19de eeuw door Reusens onder de titel Anecdota uitgegeven als aanhangsel bij zijn dissertatie over de theologie van Adriaan: Edmond H.J. Reusens, Syntagma doctrinae theologicae Adriani Sexti, pont. max., cum apparatu de vita et scriptis Adriani; accedunt anecdota quaedam Adriani Sexti partim ex codice ipsius Adriani autographo, partim ex apographis nunc primum edita, Lovanii, 1862.

15. Adriaan Florisz. van Utrecht, Quaestiones de Sacramentis in Quartum Sententiarum librum, Rome: ex officina Marcelli, 1522, f. LXXII-LXXV.

16. Paolo Sartori, 'Frans Titelmans, the Congregation of Montaigu, and biblical scholarship', in: Biblical Humanism and Scholasticism in the Age of Erasmus, uitg. door Erika Rummel, Leiden - Boston: Brill, 2008, p. 215-223.

17. Latomus, Opera, f. 210 r C-D.

18. Zie vooral: Edward de Maesschalck, 'De invloed van de Leuvense universiteitscolleges op het ontstaan en de uitbouw van de seminaries in de Nederlanden', in: Zesde Colloquium 'De Brabantse stad'. Congresboek. Antwerpen, 3 en 4 april 1981 = Noordgouw, 19-20 (1979-1983), p. 7-13.

19. Al deze geschriften zijn door Reusens in zijn Anecdota uitgegeven: Reusens, Syntagma, p. xxxiv-xxxv.

20. Bruno Indekeu, 'Johannes Huybrechts (Van Lommel) (1466?-1532), Hoogleraar, Aartsdiaken, Raadsheer, Pauselijk Commissaris en Beurzenstichter', in: Mededelingen van de Geschied- en oudheidkundige kring voor Leuven en omgeving, 24 (1984), p. 50-75.

21. A. de Meyer, 'Adriaan Florisz. van Utrecht in zijn contacten met de Augustijnen', in: Archief voor de geschiedenis van de Katholieke Kerk in Nederland, 2 (1960), p. 7-15.

22. Karel Blockx, De Veroordeling van Maarten Luther door de Theologische Faculteit te Leuven in 1519, Brussel, 1958.

23. Zie voor de kritiek van de Leuvense theologen op Erasmus' bemiddelingspolitiek vooral: Latomus, Opera, f. 89 v B-D: "In rebus fidei non licet esse neutrum. Nullum esse medium inter ecclesiam et haeresiian, aut schisma" (in de marge). Omdat de houding van Adriaan tegenover Erasmus elders in deze bundel het voorwerp is van een afzonderlijke bijdrage, ga ik er hier niet verder op in.

24. Gert en Marcel Gielis, De augustijnen, de inquisitie en het ontstaan van de Sint-Andriesparochie. [Tentoonstelling in de] Sint-Andrieskerk Antwerpen 16 juni - 31 oktober 2006. Antwerpen: VZW Sint-Andries, 2006.

25. Zie over de inquisitie: Gert Gielis, Verdoelde schaepkens, bytende wolven. Inquisitie in de Lage Landen, Leuven: Davidsfonds, 2009.

26. Gert Gielis, 'In gratia recipimus': een studie over Nicolaas Coppin (ca. 1476-1535) en de inquisitie in de Nederlanden, Leuven: K.U.Leuven, Faculteit Letteren, 2006.

27. Karel Blockx, '"Si quae culpa ..."', in: Ephemerides Theologicae Lovanienses, 40 (1964), p. 474-490.

28. Blockx, '"Si quae culpa ..."', p. 475-484.

29. Yves M.-J. Congar Vraie et fausse Réforme dans l'Église, Paris: Les Éditions du Cerf, 1950.

30. Yves M.-J. Congar, La Tradition et les traditions, 2 dln., Paris: Fayard, 1960-1963.

31. Onveranderlijkheid betekent hier dat de - onvermijdelijke - evolutie verloopt in continuïteit, d.w.z. steeds in dezelfde zin (Vincentius van Lérins, Vaticanum I én II).

32. Catéchisme de l'Église Catholique, nr. 83: "Tradition apostolique et traditions ecclésiales".

33. Congar, Vraie et fausse Réforme, p. 87 noemt Hadrianus VI "pape réformateur trop tôt enlevé à la tâche surhumaine qu'il avait courageusement assumée".

34. Latomus, Opera, f. 117 v C-D verwijst naar wat "in sacro Niceno concilio per os Paphnutii confessoris dixit Spiritus Sanctus, satis esse ratus si quem clerus ante occupasset, is iuxta antiquam Ecclesiae traditionem post hac matrimonium non adiret". Latomus keert zich hier met name tegen Zwingli die samen met een twaalftal andere priesters in een open brief aan hun bisschop bekend hadden gemaakt dat zij weigerden de celibaatswet nog na te leven. Zijdelings wordt echter ook Erasmus geviseerd die ervoor gepleit had reeds gewijde priesters te laten trouwen.

35. In de recente historiografie is er een uitvoerige discussie gevoerd over de Paphnutiuskwestie. Grosso modo zijn er daarin drie posities te onderscheiden: 1) de traditie van de Westerse kerk die inhoudt dat degenen die een hogere wijding ontvangen hebben verplicht zijn tot seksuele onthouding, is origineel en authentiek, en het verhaal over het optreden van Paphnutius op het Concilie van Nicea moet als een fictie van latere Grieks-orthodoxe geschiedschrijvers beschouwd worden (kardinaal Stickler en zijn leerlingen; ten onzent mevr. Van Leeuwen - Sandick in haar boek over De priestervrouw); 2) de traditie van de Oosterse kerk die inhoudt dat een gehuwde man gewijd kan worden en er na de wijding geen restricties zijn inzake 'gebruik' van het huwelijk, is origineel en authentiek, en het verhaal over Paphnutius kan als verklaring gelden van het besluit van het Concilie van Nicea om celibaat of seksuele onthouding voor ambtsdragers niet verplicht te stellen (E. Schillebeeckx, Het ambts-celibaat in de branding, Bilthoven: H. Nelissen, 1966; Roger Gryson, Les origines du célibat ecclésiastique du premier au septième siècle, Gembloux: Duculot, 1970); 3) beide tradities, zowel die van de Oosterse als die van de Westerse, gaan niet terug op de apostolische kerk, maar zijn later ontstaan o.i.v. anti-seksuele tendensen in het christendom, zodat het verhaal over Paphnutius iedere relevantie verliest (Küng; er zijn uitlatingen van Schillebeeckx die eerder in deze zin gaan). Gezien het feit dat in de Westerse kerk de traditie van de Oosterse kerk nooit fundamenteel bestreden is - ook Latomus doet dat niet - er dat in de geünieerde kerken en ook in de Westerse kerk (ambtsdragers die overgekomen zijn uit het Protestantisme) gehuwde priesters zijn, kan men m.i. niet anders dan de tweede positie aanvaarden. Juist uit wat ik in de evaluerende conclusie van deze bijdrage betoog, blijkt dat de derde positie eigenlijk niet verdedigd kan worden door een katholiek theoloog.

36. Hans Küng, 'Vaticaan heeft een Obama nodig. Benedictus XVI is de evenknie van George W. Bush', in: De Standaard, zaterdag 7 februari 2009.